Pastorale Column oktober 2020

De binnenkant van de bedevaart

Jaren geleden was ik een week in Lourdes als begeleider van een groep jongeren. Dertig kerngezonde mensen tussen 16 en 24 jaar die zich een week lang inspannen voor zieke en gehandicapte bedevaartgangers. Ze gaan met de gasten (zo noemen ze de pelgrims) winkelen, ze zeulen de rolstoelen naar de plechtigheden, ze bedienen bij de maaltijden, ze zorgen voor een gezellige avond met zang en toneel, ze trekken zeven dagen op met wildvreemde, vaak ernstig zieke en niet altijd even makkelijke mensen. Vraag je deze jongelui naar hun motieven, dan krijg je steevast hetzelfde antwoord: “Ik wil iets betekenen voor mijn medemens; ik wil iets voor een ander doen.” En wat krijgen ze daar dan voor terug? Een hoop voldoening, een besef van eigenwaarde, veel lol, hele zere voeten!

En het godsdienstige van Lourdes? Ach, ze beleven dat zelf niet zo erg: ze gaan thuis niet vaak meer naar de kerk. Sterker, de meesten ontmoeten in de traditioneel katholieke gebruiken van Lourdes iets wat voor hen nieuw is: de kruisweg, de processie, de ziekenzalving, een internationale hoogmis. Ze zijn nieuwsgierig, willen overal aan meedoen en ervaren een diepe zin in de dingen die in Lourdes gebeuren. Maar hun motivatie om te gaan is in eerste aanleg niet godsdienstig.

Het wordt anders als we in Lourdes zijn en de eerste ervaringen opdoen. Ze worden daar omringd door zieke mensen. Door ouderen die maar net op de been blijven onder de last van een zwaar leven. En af en toe, nog meer confronterend, door jongeren die ziek zijn en niet meer kunnen dromen van een toekomst. Op eigen kracht en in hun eentje staan ook jonge helpers van pelgrims machteloos tegenover een zee van verdriet, beperking en teleurstelling. Maar samen, met die andere jongeren én met de zieken, voelen ze tegelijk de kracht van de hoop. Die hoop spreekt uit de moed waarmee sommige gasten omgaan met beperking. Of uit hun blijheid met de kleinste vorm van ontmoeting en delen. En ook uit de dankbaarheid om het belangeloze zorgen van de helpers.

Deze jonge mensen zijn feitelijk “mensen met een missie”, al zullen ze dat zelf nooit zo zeggen. Want het woord “missie” heeft een bijklank van opdringerigheid, van zieltjes winnen, van zelfingenomenheid. Die bijklank is ontstaan in onze kerkgeschiedenis en menig jongere heeft de echo ervan meegekregen. Met “missie” bedoel ik iets anders. Ik denk dan graag aan mensen als Angelique uit Zwolle. Die gaat op reis naar een vluchtelingenkamp in Griekenland om de armste mensen te gaan helpen. Even verderop in dit parochieblad doet zij haar verhaal. In haar avontuur herken ik dezelfde ‘drive’ als bij de jongeren in Lourdes.

De jonge mensen in Lourdes en Angelique uit Zwolle doen aan navolging van Christus. En hoe Jezus met de allerarmsten omgaat, weten we heel goed. “Wat wil je dat ik voor je doe?”, is de vraag die Hem op de lippen bestorven ligt. Een aanbod van medemenselijkheid in de vragende vorm: uit eerbied voor de ander en diens status als kind van God. Onbevangen, nieuwsgierig, bereid om iets te leren, op zoek naar gemeenschappelijke ervaringen, op zoek naar zin in een absurde wereld. Met een groot respect voor de andere mens, speciaal voor hen in wier leven gezondheid, welvaart en geluk niet vanzelf spreken.

André van Boven